Molen De Jonge Abraham / Abram / De Jood, Zaandam-Oost

Zaandam-Oost, Noord-Holland
v

korte karakteristiek

naam
De Jonge Abraham / Abram / De Jood
modeltype
Kantige molen, stellingmolen
functie
pelmolen, doppenmolen
bouwjaar
verdwenen
toestand
verdwenen
Toon op Google Maps met andere molens in de buurt  
Toon op Google Maps met andere molens in de buurt
Ten Bruggencate-nr.
01084 a
oude dbnr.
V2036
Meest recente aanpassing
media-bestand
Molen 01084 a De Jonge Abraham / Abram / De Jood (Zaandam-Oost)
Foto: ansichtkaart nr. 200 (uitg. K. Tanger), januari 1916 tijdens de watersnood.

locatie

plaats
Zaandam-Oost
plaatsaanduiding
In het veld, tegenover de cacaofabriek De Aurora.
gemeente
Zaanstad, Noord-Holland
streek
Zaanstreek
kadastrale aanduiding 1811-1832
Zaandam B (1) 159 Simon Dekker, koopman
geo positie
X: 116470, Y: 497357
N: 52.46261, O: 4.82027

constructie

modeltype
Kantige molen, stellingmolen
krachtbron
wind
functie
romp
achtkante bovenkruier
inrichting
als gerstpelmolen. Hij bezat twee pelstenen, twee harpen, een luierij, later schepperij, een sleperij en een waaierij. Later zijn de pelstenen vervangen door twee koppel maalstenen.
plaats bediening
stellingmolen
bediening kruiwerk
buitenkruier
plaats kruiwerk
bovenkruier
vlucht
25,5 m
afbeelding van onze ondersteuners

geschiedenis

toestand
verdwenen
bouwjaar
verdwenen
gesloopt
geschiedenis
Tegen het einde van de zeventiende eeuw kwam de gerstpellerij in de Zaanstreek in opkomst. Alhoewel de eerste pelmolen reeds in 1639 te Koog aan de Zaan was gebouwd (De Pelikaan), heeft het nog een behoorlijke poos geduurd voordat deze navolgers kreeg. Pas rond 1680 werden de eerste nieuwe pelmolens gebouwd. De grootste concentratie pelmolens vond men in het Oostzijderveld van Zaandam, door de jaren heen hebben er ruim 60 gestaan.
De pelmolen is bijzonder afhankelijk van de vrije windvang. Pas bij windkracht 5 wordt het mogelijk om dit type molen te gebruiken. Het Oostzijderveld leende zich in die dagen hier dus uitstekend hiervoor.

De gerstpelmolen De Abraham werd gebouwd in het jaar 1694 in opdracht van Cornelis Waligsz. Out. Op 14 maart 1695 ontving de bouwheer de windbrief voor de molen. Rond 1710 trad de zoon van Cornelis Out, Walig Cornelisz. Out, in de voetsporen van zijn vader. Nadat zijn vader in 1718 was overleden kwam de molen toe aan Grietje Jacobs, de weduwe van Cornelis Out. Op haar naam werd De Abraham op 7 september 1718 tegen brand verzekerd bij een assurantiecontract.
In 1738 werd De Abraham gekocht door Jan Adriaansz. Duyn. Duyn had de molen al vanaf 1735 in de huur en besloot nu dus om de molen te kopen. Hij zou tot zijn dood in 1759 met de molen blijven werken. Na de dood van Jan Duyn, richtte zijn weduwe, Trijntje Kuyt, de firma Weduwe Jan Duyn & Zoon op. Op deze naam werd De Abraham op 6 september 1759 voor Fl.3000,- tegen brand verzekerd.
Op 26 april 1766 werd De Abraham tijdens een hevig onweer door de bliksem getroffen en ging hij geheel in vlammen op. Trijntje Kuyt kreeg Fl.3000,- uitbetaald van de verzekering en in september van dat jaar kregen de molenmakers Cornelis Stoffel en Pieter Zemel opdracht tot de bouw van een nieuwe molen. Het bestek van deze nieuw te bouwen molen is bewaard gebleven en in 1971 gepubliceerd in het boekje “Pieter Boorsma, een molenvriend”.
Het bestek laat als eerste zien dat de molen tot op de fundering was verbrand. De nieuw te bouwen molen werd aanzienlijk groter dan de oude. De molen zelf kreeg een geheel nieuwe fundering, voor de bouw van de schuur werd gebruik gemaakt van de overgebleven fundering. Met het heien van de nieuwe palen werd op 23 september begonnen, op 27 september was dit karwij geslecht. De palen hadden een lengte van zeven meter, er werden er ruim 200 geslagen.
Een gedeelte van het pelwerk van De Abraham was afkomstig uit de Oostzaandammer oliemolen De Vergilius. Deze molen was in die tijd voorzien van zowel een slagwerk als een pelwerk. Deze dubbele functie kwam wel vaker voor.
De bouw van De Jonge Abraham, zoals de molen voortaan heette, heeft om onduidelijke redenen vrij lang geduurd. Meestal duurde de bouw van een nieuwe molen rond de vier maanden, die van De Abraham duurde meer dan een jaar. Mogelijk was de winter streng geweest, maar het kan ook een kwestie van geld zijn geweest. De molen was voor Fl.3000,- verzekerd, de totale kosten van de herbouw kwamen uit op het kapitale bedrag van Fl.12.000,-. De Jonge Abraham werd op 31 juli 1767 opgeleverd. De molen begon op die dag om 5 uur ’s middags te malen.
De Jonge Abraham was een zeer grote en zwaar gebouwde pelmolen, waarvan het achtkant geheel boven de schuur was gebouwd. De nieuwe molen was uitzonderlijk fraai van vorm. De Jonge Abraham had een vlucht van meer dan 25 meter, verder is het bekend dat het bovenwiel 65 kammen bezat.
Op 3 september 1767 liet de weduwe Duyn haar nieuwe molen tegen brand verzekeren in een assurantiecontract. De verzekerde waarde van de molen bleef staan op Fl.3000,-. Vanaf 1783 huurden de broers Claas en Adriaan Duyn De Jonge Abraham van hun moeder en op 13 december van dat jaar verwierf Adriaan Duyn de gehele molen. Tevens liet hij de verzekerde waarde van de molen verhogen naar Fl.5000,-.
De Jonge Abraham bleef tot het jaar 1794 zijn gerst pellen voor de familie Duyn, daarna kwam de molen in bezit van Pieter Dekker, die werkte onder de firmanaam Pieter Dekker & Zn. Naast De Jonge Abraham pelde Dekker met De Phenix, de grootste pelmolen van de Zaanstreek.
Na het overlijden van Pieter Dekker kort na de Franse tijd, zette zijn weduwe Grietje Onderwater de zaken voort. Later werd zij opgevolgd door haar kinderen. De Jonge Abraham bleef tot het jaar 1867 in bezit van de familie Dekker. In het laatstgenoemde jaar verkochten zij de molen aan de Zaandammer pellersbaas Hendrik Blans.

De koopman en pellersbaas Hendrik Blans werd geboren in 1801. In 1848 kocht Hendrik Blans de op het Kalf gelegen pelmolen De Wildschutter, hiermee werd de basis gelegd voor een van de grootste rijstproducerende firma’s van de Zaanstreek in de vorige eeuw. De Wildschutter was aan de Braaksloot gelegen tussen de oliemolens Het Oude Bonte Kalf en De Dood. De zaken gingen Blans voor de wind, want vijf jaar later kocht hij zijn tweede molen, nl. De Houtsnip aan de Wormerringvaart. Deze molen zou echter in het jaar 1863 volledig verbranden. Er volgde herbouw, waarna Blans de molen in beheer gaf aan zijn zoon Klaas Blans. De achterliggende gedachte hiervan zal zijn geweest, dat Klaas Blans zich zo kon gaan voorbereiden om de zaken van zijn vader over te nemen.
De zaken gingen de firma Blans voor de wind. Blans had zich geheel toegelegd op het pellen van rijst. Van De Wildschutter en De Houtsnip is bekend dat deze rijstpelmolens waren, wat er nu precies op De Jonge Abraham werd gepeld is mij niet bekend. In 1873 werd de vierde pelmolen gekocht, dat was De Grauwe Gans aan de Kalverringdijk van Zaandam, ook in deze molen werd rijst gepeld. Kort na aankoop van deze molen deed Hendrik Blans De Wildschutter van de hand.
In 1876 besloot zoon Klaas Blans om aan de Oostzijde van Zaandam een stoompellerij op te richten. Deze fabriek was aan de Zaan gelegen, iets ten noorden van de Dr. Schaepmanstraat en droeg de naam De Birma. In juni 1878 werd de fabriek in gebruik genomen. Klaas Blans zou niet lang plezier hebben van deze kroon op zijn werk, twee maanden later stierf hij. Klaas Blans werd opgevolgd door zijn zoon Hendrik Blans, later ging deze een compagnonschap aan met zijn twee broers Nicolaas en Thomas Blans, vanaf dan wordt er gewerkt onder de firmanaam Klaas Blans. Later, in 1910, werd de bedrijfsvorm omgezet naar een N.V., de N.V. Gebroeders Blans.
De opening van De Birma zal ertoe geleid hebben dat De Grauwe Gans van vader Hendrik Blans in 1878 van de hand werd gedaan.
Hendrik Blans stierf in 1884. De Jonge Abraham zal toen zijn overgenomen door de firma Klaas Blans. De firma Blans bleef tot 1898 met De Jonge Abraham werken, daarna verkochten zij de molen aan de Oostzaandammer molenmaker Simon Gras.
In deze periode kwamen zeer veel molens in Zaanstreek buiten gebruik te staan. De stoomzagerijen, pellerijen en olieslagerijen waren hun kinderziektes verloren, hierdoor kwam het einde van de windmolens rap naderbij.
Veel molens werden toen gesloopt, waarvan een groot aantal een nieuwe bestemming vond elders in Nederland.
Toch was dit niet het einde van het molentijdperk. Zo konden oliemolens eenvoudig worden gebruikt voor het persen van allerlei soorten oliën en vetten. Een pelmolen kon zonder veel aanpassingen worden voorzien van een paar koppel maalstenen.
Rond de eeuwwisseling bestond er een groep mensen in de Zaanstreek die al van jongs af aan op de molens hadden gewerkt. Zij hadden een bepaalde verbondenheid met deze ‘levende’ gebouwen en wilden liever niet op de fabriek gaan werken.
Een aantal van deze mensen kochten toen een molen en begonnen voor zichzelf. Zij werden ‘pettenbazen’ genoemd. Op de zgn. beursdagen in Amsterdam, droegen zij i.p.v. een hoge hoed, een pet, waardoor zij deze naam verkregen.
Ook Simon Gras zal tot deze categorie behoord hebben. Met het verdwijnen van de molens nam ook het werk voor de molenmakers af. Gras liet in De Jonge Abraham de pelstenen vervangen door maalstenen. Met deze maalstenen ging Gras voortaan doppen vermalen. De gemalen koffie- of rijstdoppen vonden hun weg naar de veevoederindustrie.
Simon Gras werkte tot 1913 met De Jonge Abraham, daarna verkocht hij de molen aan Egge Groot, de eigenaar van de nabijgelegen pelmolen De Hondeman. In De Hondeman werd al enkele jaren niet meer gepeld, ook hier werden doppen vermalen.
In 1915 liet Egge Groot De Hondeman ombouwen tot een fabriek. De molen werd onttakeld en om het achtkant en de schuur werd een plaatijzeren gebouw geplaatst. Voortaan was deze fabriek bekend onder de naam De Verwachting. De oprichting van De Verwachting kondigde het einde aan van De Jonge Abraham. Kort na de watersnoodramp van 1916 viel het doek voor de molen. Tijdens de watersnood werd er nog volop gebruik gemaakt van De Jonge Abraham, vermoedelijk kon De Verwachting niet werken door het vele water. Nadat de Oostzaner polder in het voorjaar weer droog was gemalen werd gestart met de sloop van de molen. Als eerste liet Egge Groot de molenschuur van De Jonge Abraham afbreken. Deze werd in een gewijzigde vorm, (spanten verlengd, stenen gevel), geplaatst bij De Verwachting. Direct na de verplaatsing van de schuur werd het resterende achtkant gesloopt.
De Verwachting brandde in 1951 af, de voormalige molenschuur van De Jonge Abraham werd toen wonder boven wonder behouden. Begin jaren zestig van de vorige eeuw verdween deze schuur door sloop.

Na de sloop van De Hondeman in 1915 en De Jonge Abraham in 1916, waren zo langzamerhand de pelmolens een zeldzaamheid geworden in het Oostzijderveld van Zaandam. Naast enkele aan de Zaan staande pelmolens, resteerden er nog slechts twee, De Almanak en De Zeilenmaker.

Bronnen:
- “de Zaende” 2e jaargang 1947 blz. 135
- “de Zaende” 3e jaargang 1948 blz. 228
- “Encyclopedie van de Zaansteek” 1991 blz. 101-102
- www.duizenzaansemolens.nl R. Couwenhoven
- “Pieter Boorsma, een molenvriend” 1971 blz.20-34 (uitgave van Vereniging de Zaanse Molen)
- “Duizend Zaanse Molens” P. Boorsma 1968 blz. 123
- “Zaanse Windmolens” P. Boorsma 1939 blz. 7-8
- "De pelmolens in het Oostzijderveld” 1925 J. Kruijver blz. 55-56
F. Rol, Zaandijk.

aanvullingen

trivia
In Zaandam is een straat naar de molen vernoemd, bijna tegenover het oude molenerf.