Molen De Pinmolen, Blaricum

Blaricum, Noord-Holland
v

korte karakteristiek

naam
De Pinmolen
modeltype
Standerdmolen
functie
korenmolen
bouwjaar
verdwenen
toestand
verdwenen
Toon op Google Maps met andere molens in de buurt  
Toon op Google Maps met andere molens in de buurt
Ten Bruggencate-nr.
06504 k
oude dbnr.
V4201
Meest recente aanpassing
| Conversie
media-bestand
Molen 06504 k De Pinmolen (Blaricum)
gravure uit de collectie M.E. van Doornik

locatie

plaats
Blaricum
plaatsaanduiding
aan het einde van de huidige 2e Molenweg
gemeente
Blaricum, Noord-Holland
streek
Het Gooi
kadastrale aanduiding 1811-1832
Blaricum B (1) 520 Willem Lammerts Puyk, bouwman, of Erven
geo positie
X: 145560, Y: 475577
N: 52.26813, O: 5.24891

constructie

modeltype
Standerdmolen
krachtbron
wind
functie
plaats bediening
plaats kruiwerk
middenkruier
kruiwerk
zetelkruier
afbeelding van onze ondersteuners

geschiedenis

toestand
verdwenen
bouwjaar
circa
verdwenen
gesloopt
geschiedenis
Op de zogenaamde Ronde Kaart van het Gooiland uit 1524, waarbij de Vecht, de Eem en de Zuiderzeekust samen een onduidelijke cirkel vormen, staan drie standerdmolens afgebeeld, een ten westen van Naarden-Vesting, een bij Oud-Naarden en een ten zuidwesten van Hilversum, die reeds in 1500 wordt vermeld.

De eerste afbeelding van de Blaricumse molen op een landkaart dateert uit 1537 (zie afbeelding). Vermoedelijk is de molen omstreeks 1530 gebouwd. De eerste schriftelijke vermelding van deze molen staat in een verkoopakte van 29 april 1627, waar het over verkoop van een stuk land bij de molen ging.

Een verkoopakte van 23 mei 1652 ging over Goosen Rouweltsz. uit Eemnes-Buiten, die aan molenaar Willem Rutgers, eveneens uit datzelfde dorp, de rechten heeft verkocht op het halve deel van de molen, vrij van wind staande te Blaricum. Bij deze transactie trad als ambtenaar de schout Thomas Jacobsz. op. Er werd geen koopsom in deze akte genoemd voor de helft van de molen. Wel was er een bepaling in opgenomen, dat daar de helft van de molen geen huis heeft, de koper een stuk grond toegewezen heeft gekregen, waar hij een huis mocht gaan bouwen. Dat recht werd bij de aankoop bekrachtigd door een bij de akte behorende clausule van 21 maart 1638.

De koper van de andere helft van de Blaricumse standerdmolen is niet genoemd. Wel zijn de namen van de verkopers van die andere helft bekend. Ze waren de erven Meijns, Matghen, Steffntghen en Bertghen Hendricksz. Dezelfde bepalingen in deze akte als in de vorige gaven ook de koper van deze molenhelft het recht van het oprichten van een huis op een daartoe aangewezen perceel grond. Tevens kon hij een keus uit de twee aangewezen terreinen maken. De akte is niet gedateerd, maar deze zou waarschijnlijk ook uit 1652 stammen.

Wij komen nog een transactie uit het jaar 1663 tegen. Op 20 oktober verkocht dan namelijk molenaar Gerbert Cornelisz. weer één molenhelft. De nieuwe eigenaar werd de Blaricummer Adriaen Lanphensen. Hij betaalde ƒ 1.600,–, waarvan volgens de akte ƒ 300,– voor het onroerende gedeelte werd berekend en de resterende ƒ 1.300,– was voor het roerende deel bestemd. Merkwaardig genoeg heeft de koper zijn nieuw verworven eigendom nog diezelfde dag voor hetzelfde bedrag heeft overgedaan aan Jan Gerritsen van Alphen en onder gelijkluidende voorwaarden. De schout Thomas Henvliet was die dag ambtenaar. Acht maanden daarna, op 13 juni 1664, werd de gehele molen eigendom van Jan Gerritsen door het uitkopen van de Blaricumse molenaar Willem Jansz. Deelen, de eigenaar van de andere helft.

Was er tot nu toe geen sprake van een windbrief (een soort vergunning voor molenaars in die dagen), in 1666 werd er door Jan Gerritsen een dergelijk document aangevraagd. Dat werd noodzakelijk, toen via de deurwaarder van het kantoor Kennemerland het verzoek om het bewijs van windvrijheid te tonen hem bereikte. Zo’n recht op windvrijheid zou tot dan toe verleend worden door de baljuw van Gooiland (ambtenaar namens een landheer of heerlijkheid, belast met de rechtspraak in zijn betreffende gebied), maar bewijs hiervan viel niet te leveren, door géén van de Gooise molenaars overigens.

Op de aanvraag van Jan Gerritsz. van Veldhuizen voor een windbrief bracht de rekenkamer der domeinen advies uit aan de grafelijke rekenkamer van Holland. Dit advies luidde:

„De Blaricummer meulen een windbrief verleenen tegen gelijcke jaerlijckse conditie als die welcke voor de andere Gooische meulenaers golden. Windrecht werd verleend in erfpacht en op erfpachtsrecht, tegen betaling van 7 Ponden per jaer, welck bedrag aen de Rekenmeester van Kennemerland ten behoeve van de Grafelijckheid moest worden voldaen. De Blaricummer meulenaer moest betalen met terugwerkende kracht vanaf 1 October 1665.”

De windbrief werd verleend op 5 oktober 1666 tegen een erfpachtsom van 4 pond (www.gahetna.nl, index Grafelijkheidsrekenkamer: windrechten (molens)). De brief vermeldde in de bloemrijke taal van die dagen onder andere de bepaling:

„Dat noch menschen, noch beesten dezelve meulen conne beschadicht werden, ende enige schade off ongeluck geschied.”

Dit is vermoedelijk geschreven voor de beveiliging van mens en dier in de nabijheid der draaiende molenwieken. Op 11 januari 1695 verleenden de Staten van Holland aan Brant Pietersz. Craaijcamp, korenmolenaar te Blaricum, een windbrief voor het bouwen en in bedrijf stellen van een grutrosmolen. Brant en zijn gezin konden van alléén de standerdkorenmolen niet in hun levensonderhoud voorzien. De molenaars uit het Sticht namen door het malen van boekweit tot grut veel van zijn klandizie weg. De aanvraag tot de bouw van de rosmolen was dan ook bedoeld om hun inkomsten te vergroten. Tegen betaling van 8 ponden per jaar werd hem de vergunning verleend. De rosmolen heeft dienst gedaan tot ongeveer 1720. Het is niet bekend waar deze in het dorp Blaricum precies heeft gestaan.

In 1725 heeft er weer een verkoping van de molen plaats gevonden. Als gemachtigde van molenaar Craaijcamp trad een zekere Tijmen de Graaf uit Loosdrecht op. Als schout fungeerde dan Gerrit Duurkant. Craaijcamp had zijn gewoonte om de akten te ondertekenen met zijn huismerk in de vorm van een molenijzer of rijn.

Blijkens de akte ging de molen op 1 november van dat jaar over aan Willem Cornelisz. Verwer. De molen met alles erop en eraan, dat wil zeggen met zijn zeilen, touwen, maalstenen etc., veranderde voor de prijs van ƒ 900,– van eigenaar. Uit de Blaricumse processtukken kon opgemaakt worden, dat aan Brant Pietersz. Craaijcamp de koopsom van ƒ 900,– na wat problemen pas op 24 januari 1728 door Verwer werd voldaan, ruim twee jaar na het tekenen van de koopakte. Nog een merkwaardig geval in de geschiedenis van de molen: uit een transportregister van Blaricum kwamen we erachter, dat in 1757 de erfgenamen van Verwer hun molen als speciaal onderpand stelden, ten behoeve van de Staten van Holland en West-Friesland tegen een bedrag van ƒ 500,–. Er bestaat een verklaring van de schout en schepenen van Blaricum, dat de kinderen Verwer de molen vrij in eigendom hadden. Op de vraag omtrent de noodzaak van het in onderpand stellen kon er geen antwoord worden gegeven.

De geschiedenis van de Blaricumse standerdmolen is na 1757 verder onbekend en wij komen nu in de 19e eeuw terecht.

Uit oude boeken van de R.K.-Sint Vituskerk te Blaricum vernemen we dat de Blaricumse standerdmolen in de loop van de jaren dertig van de 19e eeuw in bezit is gekomen van molenaar Gerrit Willemse Puyk. Wie zijn voorganger als molenaar was, konden wij niet achterhalen. Gerrit was geboren op 21 december 1805 als zoon van Willem Lammert Puyk en Marretje Rozendaal. Uit het feit, dat hun namen in de boeken van de Sint Vituskerk voorkomen, kunnen wij vaststellen dat de familie Puyk van Rooms-Katholieke huize was.

Gerrit was gehuwd met Gijsbertje Jacobse Heerschop en kreeg twee zonen en een dochter. Zijn oudste zoon Willem Puyk was geboren op 8 februari 1835 en zijn broer Jan Puyk op 6 maart 1836. Wanneer Willem zijn vader heeft opgevolgd als molenaar, valt niet na te gaan. Gesprekken met de nazaten van deze familie Puyk hebben niet veel opgeleverd en daarbij is er heel weinig informatie over deze molenaarsfamilie in de 19e eeuwse periode bewaard gebleven. Willem Puyk is overleden op 9 oktober 1922 en ligt nu nog steeds begraven bij de Sint Vituskerk.

In het jaar 1873 werd de oude "pinmolen" (zoals de standerdmolen in de Blaricumse volksmond vaak werd genoemd) afgebroken en daarmee betekende dit het einde van de eeuwenlange standerdmolen-geschiedenis van Blaricum. Toen deze werd afgebroken, vlogen de wolken stof door een harde wind over Eemnes heen. Op de plaats van de oude pinmolen verrees daarna een nieuwe molen: een zeskante bovenkruier van het type grondzeiler en hij was uitgerust met twee koppel maalstenen.

De “nieuwe” molen is afkomstig uit Baarn in de provincie Utrecht, aldaar gebouwd in 1759, zie database nr. 1032.

Ingezonden door Martin E. van Doornik.

Onderschriften 1e afbeelding:
Gravure van Blaricum omstreeks 1700 met rechts de standerdmolen.
(collectie M.E. van Doornik)

Onderschriften 2e afbeelding:
Detail van de kaart van het Gooi in 1537 met de Blaricumse standerdmolen. Het zuiden is boven.
(collectie Rijksarchief Haarlem)

aanvullingen

trivia
De onderste afbeelding is van een olieverf-schilderij van Jacob van Ruisdael. Via de externe link kunt u zien dat het schilderij daar de titel draagt: "A Panoramic Vieuw with the Church of Beverwijk", dit is dus mogelijk een vergissing. Eerder valt aan te nemen dat het dus om de Pinmolen te Blaricum gaat.
Paula Versnick, Huizen, 15 mei 2013.